U gaat linksaf, voor het huis langs, naar de (1) Keientuin (1978). De bomen en coniferen in deze tuin waren alle voor 1978 aanwezig, alleen de Corylopsis pauciflora is door ons geplant. Een lelijke geelbonte conifeer is in schroefvorm gesnoeid. Vrijwel alle veldkeien, die in de tuin zijn gevonden, zijn hier bijeengebracht. Inmiddels zijn de meeste verdwenen onder een dikke humuslaag: een ideaal milieu voor veel schaduwplanten.
                             
De meeste daarvan bloeien tussen maart en juni. Wijlen prof. Victor Westhoff  riep ooit bij het aanschouwen van deze  tuin uit: "Dit lijkt wel een eiken-haagbeukenbos". Achter het huis begint de (2) Hemelsleuteltuin (1979), genoemd naar de wilde hemelsleutel (Sedum telephium), die er in augustus (nooit eerder, nooit later!) bloeit met hoge (en geen platte!) donkerrode bloeischermen. Andere planten die in deze tuin onder moeilijke omstandigheden (schaduw, maar volle zon op het heetst van de dag) gedijen zijn: Meconopsis cambrica, Geranium nodosum, de wilde flox, Phlox paniculata: en Thalictrum delavayi.
Achter de grote eik langs komt u in de (3) Hochstaudenflur (1981, gewijzigd in 1998). Hochstaudenflur is een botanische term, waarmee de plantengemeenschappen van hoogopschietende ruigtkruiden worden aangeduid, die in de montane gebieden van Centraal Europa voorkomen. De grond in deze tuin is bijzonder vruchtbaar, omdat hier vroeger altijd de poepton van de boerderij werd geleegd (!)  
Vlak voor het huis is een kleine border met schaduwplanten, waaronder een verzameling Helleborus-soorten.
De Keientuin in mei
Monnikskapboterbloem
Omringd door een oerwoudachtige begroeiing van Japanse duizendknoop (Fallopia japonica), bamboe en alles overwoekerende hop (Humulus lupulus) groeien er o.a. adderwortel (Persicaria bistorta), vaste judaspenning (Lunaria rediviva), monnikskapboterbloem (Ranunculus aconitifolius), akeleiruit (Thalictrum aquilegiifolium) en kleine kaardebol (Dipsacus pilosus).
Het pad leidt vervolgens naar een deel van (4) het Bos, gelegen op een stuifheuvel, restant van de stuwwal van Coevorden naar Texel, die tijdens een tussen-ijstijd is ontstaan. 25 Jaar zorgvuldig nietsdoen heeft ertoe geleid dat het -aanvankelijk armetierige- bos zich ontwikkelt tot een eiken-hulstbos, het natuurlijke climaxbos op het Drentse plateau, met een rijke ondergroei van hulst, vuilboom, vogelkers, bramen, stekelvarens en witte klaverzuring (Oxalis acetosella). Sinds een paar jaar heeft de veelbloemige salomonszegel (Polygonatum multiflorum) zich in het bos gevestigd.
Beschrijving tuinen, pagina 2
Keientuin - Klik op foto voor groter !
Monnikskapboterbloem - Klik op foto voor groter !
Volgende Tekst
Menu
Vorige Tekst